Tille de witte heks

Ooit, in het midden van het land, midden in het bos, in de top van een mooie grote eik, woonde Tille, de witte heks. Haar haar was wit, en haar witte huid zat vol met rimpels.

Beneden, aan de wortels van de boom stroomde helder water uit de grond. En alle dieren kwamen drinken. En ook de reizigers kwamen drinken. Als ze verdwaald waren, kwamen velen bij de boom van Tille terecht, en daar konden ze hun dorst lessen en hun honger stillen met de bessen, noten en paddestoelen die groeiden rondom de boom.

Elke avond, als de zon onder ging floten de vogels een fluitconcert. Ja, de mussen en de vinken, de mezen en de merels, zelfs de kraaien en de spreeuwen.
En de specht trommelde de maat.
Dit alles was daar, omdat Tille kon toveren. Ze toverde zelfs, als ze er voor in de stemming was, nieuwe prachtige bosdieren, die tot daarvoor nog niet bestonden; en ook prachtige luchten toverde zij, met de mooiste kleuren die ze maar kon bedenken.

Tille was een witte heks. Ze gebruikte haar toverkracht enkel voor goede dingen. Ze hielp de dieren in nood, als ze honger hadden, of ziek waren. Er werd gezegd dat de bron aan Tille’s boom magische krachten had. Als je er van dronk, kon er van alles gebeuren. Sommigen voelden zich verjongd, anderen werden blij en vrolijk, en weer anderen kregen ineens zin om liedjes te zingen.

Tille de witte heks, in haar huisje in de grote eik, had een bijna perfect leven. Bijna. Er was een probleem waar ze geen raad mee wist.
Ooit had Tille een trol ontmoet. De trol had hulp nodig, hij had geen plek om te wonen, om te schuilen voor de zon die hem in steen zou veranderen. Van Tille mocht hij in haar huisje wonen, als hij voor haar allerlei werkjes deed: zoals de vloer vegen en de afwas doen, de gevallen blaadjes oprapen en terug in de bomen plakken, de narcissen water geven – die bloeiden het hele jaar door.

Zo was de trol bij haar ingetrokken, en hij veegde de vloer, deed de afwas, hing de blaadjes terug, en gaf de bloemen water. Voor een tijdje. Een trol kan maar zó lang braaf blijven, en dan steekt onvermijdelijk weer zijn trollennatuur de kop op.
’s Nachts, in plaats van zijn werkjes te doen en de afspraak te na te komen, dronk de trol trollenbier, en maakte dan trollenplezier. Hij plaagde de slapende vogels, zodat ze verschrikt wakker werden en opvlogen van hun nest, en als er eieren waren dan at hij die op.
De trol deed niet langer de afwas. Hij veegde niet langer de vloer, hij liet de blaadjes liggen, en gaf om de bloemen geen moer.

Tille vond dat natuurlijk niet goed. Okee, vond ze eerst, het is tenslotte een trol, en hij mag wel eens een beetje lol maken…. Maar al gauw werd het meer dan een beetje lol maken. Want de vogels maakten ergens anders hun nesten, en de dieren dronken voortaan verderop, bij de beek.
Soms werd de trol zo balorig dat hij alle bessen opvrat – ook al had hij geen honger, hij trapte de paddestoelen omver en joeg de dieren weg met zijn lelijke, dronken trollengebral.

Tille werd boos. En Tille werd niet gauw boos. Ze zei: “en ga nu weg jij!”, maar de trol maakte een lange neus en antwoordde “ik ben hier nu al een tijd, en ik denk dat ik hier nog wel een tijdje blijf! Jij dom, oud, lelijk wijf!”
Tille stond machteloos. Immers, ze toverde alleen goede dingen. Ze deed nooit iemand kwaad, zelfs al was het verdiend. Daarom moest Tille een list verzinnen. Ze zette, in haar huis, tien grote spiegels, die het eerste ochtendlicht tot de laatste avondstralen, in haar huisje zouden doen schijnen, alsof er geen dak of muren waren. Dan zou de trol niet kunnen blijven, want door het zonlicht zou hij in steen veranderen.
Maar toen de trol na een nacht lang streken, drinken en gebral, weer boven kwam, zag hij de spiegels staan en begreep, dat dit voor hem niet erg goed was. De zon kwam al bijna op, en de trol pakte vlug een stoel en sloeg daarmee alle tien spiegels kapot. Tevreden over zijn slimme daad, sliep hij veilig door de dageraad.

De volgende nacht deed Tille de deur op slot. Zo kon de trol niet meer binnen, en moest hij wel een ander plekje gaan zoeken. Maar hij had nog een streek achter de hand: hij klaagde steen en been, in en in zielig: waar kon hij heen?
“Ik zal braaf zijn, en de klusjes doen, en daar bovenop geef ik je een zoen!”
De heks verweekte bij dat gezicht, en liet de trol binnen: ze was gezwicht.
Het duurde niet lang, of de trol was weer…. een trol, met de streken van een trol.

Tille was nu ten einde raad: telkens ze de trol buitensloot, kreeg ze het te kwaad. Ze toverde geen dieren meer, en schilderde geen mooie luchten. Alles wat nog uit haar kwam was klagen en zuchten.
Op den duur werd de witte heks ziek. Haar hart deed pijn. Tille stuurde een spreeuw met een boodschap, naar Eduardo, een collega-tovenaar. Eduardo liet niet op zich wachten en arriveerde ’s anderendaags. Tille deed haar verhaal, waarop de tovenaar besloot: “Heks je bent te goed, je hart is te groot!”. Met een scherp en magisch mes sneed hij een stuk van Tille’s hart. “Geef dit aan de trol te eten, en je zult geen last meer van hem hebben.”

De tovenaar wist ook nog te zeggen: “Waar heeft de trol te voren geleefd? De trol heeft een hol, ik zeg het je.”
“Aah”, sprak de heks, en haar pijn was verdwenen. “Morgen krijgt de trol een speciaal maal, en ik zal nooit meer wenen!”
De volgende dag at de trol van het hart, verslikte zich plots, en riep dan heel hard: “Jij heks! Wat heb ik nu gegeten?! Ik krijg nu ineens last van mijn geweten!”
De trol kalmeerde en zei: “het spijt mij, van alle onheil en ongein die ik je heb aangedaan. Ik weet wat me te doen staat: ik moet maar gaan.”
De daad bij het woord voegde hij, en vertrok. En zonder wrok riep de heks hem nog na: “Vaarwel. Kom nooit meer terug, ga weg nu – en snel!”

De trol was nog maar net weg, en de vogels begonnen weer te fluiten, de dieren kwamen weer terug en Tille schilderde opnieuw de lucht in duizend prachtige kleuren.

2008, Edwin Groenendijk

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *