Onlangs was ik in mijn café en ik sprak daar met Jan. Jan merkte op dat ik heel direct was, en dat hij dat wel leuk vond. En ik dacht: oké, Jan, ik kan je lezen als een open boek als ik me daarop toeleg, als ik daar echt op focus. Eerst “drink ik je in” door naar je te kijken, je te observeren, en dan vertel ik wat ik zie, wat ik denk dat je bent. Dus ik stelde hem voor om, bij wijze van experiment, een spontane “reading” te doen. Hij vond het wel leuk en ging akkoord.
Het ging niet erg goed. De dingen die ik zei, daarmee ging Jan niet echt akkoord. Helemaal niet eigenlijk. En ondanks dat ik probeerde om hem erop te wijzen dat er toch wel aspecten waren die klopten – of dat het op een bepaalde manier te interpreteren was zodat het zou kunnen kloppen – had ik Jan niet gewonnen met mijn experiment. En niet alleen dat: ook de dingen die ik zei waren niet leuk. Ze waren intrusief en onvoorzichtig uitgesproken.
Dan vraag je je natuurlijk af: wat voor indruk heb ik achtergelaten bij Jan? Ik denk niet dat het een goede indruk was. Op een bepaald moment in het gesprek ging Jan naar buiten zonder opgave van redenen. Ik was al even met een andere persoon aan het praten, dat wel, maar het geheel, het plaatje, was toch wel dat hij weinig interesse had om het gesprek met mij voort te zetten.
Dus: ik heb gefaald. Ik heb echt gefaald. Ik begon sterk te twijfelen aan mijn capaciteit om zo’n reading te doen. Althans, op dat moment. Want op andere momenten heb ik wel degelijk successen gekend. Ik weet dat ik iets kan. Alleen niet die dag. En ik had het niet door. Dat was het grootste probleem: ik was niet in staat om te zien dat het niet goed ging, terwijl ik het deed. En dat erodeert je zelfvertrouwen toch wel ietwat.
Thuisgekomen bedacht ik me: hier wil ik over schrijven. Dit wil ik optekenen. Waarom? Om mezelf openlijk ten schande te maken? Om me weer te geven als een feilbare, rare persoon? Nee. Nee, ik geloof nog steeds – ik wéét nog steeds – dat ik dingen kan. Dat ik zo’n readings kan doen. Alleen niet die dag. En er zijn wel meer van zulke dagen geweest.
Dus nadat mijn zelfvertrouwen een flinke knauw had gekregen, ben ik gaan nadenken: wat is er misgelopen? Waarom zag ik het niet? Waarom overschatte ik mijn capaciteit op dat moment zo enorm?
En dan denk ik: oké, misschien komt het door de autistische kenmerken die ik heb. Dat ik ergens op het spectrum zit. Dat ik sociale interacties niet altijd aanvoel zoals anderen dat doen. Dat ik vaak een beetje vreemd overkom. Dat zit altijd op de achtergrond – of op de voorgrond. Ja, dat is misschien een verklaring. Maar het is ook een beetje een smoes. Ik mag het niet als schild gebruiken. Het speelt mee, dat weet ik wel, maar het verklaart niet alles.
Waar ik ook aan denk: ken je dat gevoel wanneer je rijk hebt gegeten – met look, met vet – en dat je je de volgende dag zwaar voelt, lusteloos, bedrukt? Alsof je hersenen niet helemaal mee willen? Misschien was het zoiets. Alleen had ik het niet door. Ik was die week ook ziek geweest, enkele dagen koorts, en ik was nog niet helemaal hersteld. En wat ook meespeelde: de nachten ervoor had ik veel te weinig geslapen. En ja, daar voel je je wel een beetje kut van.
Maar – en dit is belangrijk – ik voelde me mentaal best ok. Ik twijfelde wel aan mijn capaciteit, aan mijn mentale scherpte, maar ik dacht niet dat er een probleem was met mijn brein. En dát is het probleem. Want er was wel een probleem.
Dus eigenlijk waren er twee problemen. Het eerste probleem: ik overschatte mezelf. En het tweede probleem: ik had niet door dat ik mezelf overschatte. Oké, je zou kunnen zeggen dat het een in het ander overloopt – dat wie zichzelf overschat per definitie het perspectief mist om dat te zien. Maar ik normaal gezien niet. Ik wel. Ik ben vaak lomp, maak domme grappen, reageer ongepast – maar ik heb meestal een soort herstelmechanisme. Een reflex. Dat ik een seconde later zeg: “Oh shit, dit is niet oké. Sorry, ik wil niet grof overkomen. Vergeef me die domme opmerking.” Herstel. Inzicht. En dan pas ik me aan.
Maar die dag werkte dat mechanisme niet. Helemaal niet. Fuck.
Dus ik moet het ook een plaats geven: dat er dagen zijn waarop mijn brein gewoon niet goed werkt, en dat ik dat op dat moment niet doorheb. Dat ik dan wél degelijk lijk op de karikatuur van de domme persoon die denkt dat hij briljant is. Zoals Donald Trump, misschien. Ja. Misschien wel.
En dan denk ik ook dat ik deze dagen nodig heb als een herinnering, als een aanmaning. Om niet te veel zelfvertrouwen te hebben. Om mezelf niet te veel te overschatten. Om daar extra, éxtra aandachtig voor te zijn.




