Reeds als kind van 8 leerde mijn vader me een fietsband plakken. In de jaren 70 waren de fietsbanden nog niet zo goed bestand tegen lekken als de Schwalbe’s van tegenwoordig, dus lekke banden plakken was iets wat menig huisvader zich regelmatig mee bezig hield. Men liet het liever niet over aan een fietsenmaker, omdat het relatief simpel is om zelf te doen en zo spaarde je toch zo’n 6 gulden per keer uit.
Uiteraard was ik, als de enige jongen in het gezin, verantwoordelijk voor de meeste lekke banden. Tegen stoepranden oprijden, hard remmen met schurende banden, crossen en stunts uithalen dat stond op m’n fietsrepertoire.
En ik denk dat de vele herstellingen aan mijn fietsen mijn vader er toe bewoog om mij daarbij te betrekken. Misschien ook om mij wat bewust te maken van de gevolgen van mijn roekeloos rijgedrag. Banden plakken was wel het eerste dat ik leerde. Met metalen bandenlichters een meestal oude en versleten band van de velg trekken, de binnenband er uit halen en terug een beetje oppompen, om te zien of er een lek zich presenteerde met een hoorbaar gesis. Indien dit niet gebeurde, dan pakten we een emmer water en dompelden de band onder zodat een spoor van belletjes het lek prijs gaf. En dan opschuren, Simson solutie er op smeren en even wachten tot het droog was, vooraleer een plakker er stevig op te drukken.
Hierbij werd de fiets op de kop gezet, of neergelegd. Vaak was het vlotter en gemakkelijker om het wiel even er uit te nemen, wat meer vrijheid gaf in de handelingen en inspectie van de band. Daarvoor gebruikten we een ringsleutel 14-15 – geen steeksleutel want die konden slippen en de moer beschadigen; ook geen combinatiesleutel want de ringskant was dan plat en dan kan je tegen de kettingspanner zitten, lakschade maken op het frame of de armen van een spatbord, waarna dat zeker zou gaan roesten want alle fietsen waren van ijzer. De ringsleutel was het perfecte gereedschap voor de job, niet alleen om schade te vermijden maar ook omdat het achterwiel meestal 15 millimeter moeren had, en op het voorwiel 14 mm. En deze maten konden we dus bedienen met één prachtige sleutel.
Ringsleutels zijn ook de sterkste variant van moersleutels. Ze slippen niet, doen hun job zonder enig issue. Ze gaan een leven lang mee – ze gaan moeilijk kapot, hooguit breek je er één als je er onoordeelkundig met een voet op gaat stampen bijvoorbeeld. Ja die ringsleutel daar kan je blindelings op vertrouwen. Ik heb er altijd eentje bij me wanneer ik fiets – en ook nog wat ander gereedschap, zoals een bandenplaksetje, ook al heb ik in de levensduur van een Schwalbe marathon buitenband hooguit 2 lekken. Vergelijk dat eens met de banden van vroeger, die we bleven plakken totdat het zo’n zooitje werd van overlappende plakkers dat het niet meer te doen was.
Er gingen ook wielen kapot. En voorvorken, door stunten en stoepranden. En dan bewees de ringsleutel weer zijn nut.
Er was een tijd dat ik fietsen bouwde door onderdelen van andere fietsen – en zelfs bromfietsen – te monteren: een vork van een grote fiets, met een groot voorwiel, in een kleiner model frame. Een hoog brommerstuur, een zadel van een mobiletje. Of juist een kleiner voorwiel. En zo reed ik dan naar school, op onveilge Frankensteiniaanse monsters van fietsen.
Er ligt een ringsleutel 14-15 op mijn bureau. Ik speel er wat mee, slinger het rond een vinger. Een perfect ontwerp dat niet verbeterd hoeft te worden. Het voelt vertrouwd, als een deel van mij. “Drop Forged” staat er op, alsof het nodig is mij te verzekeren van de kwaliteit. Niet nodig, je bent al praktisch heel mijn leven mijn meest betrouwbare vriend. Op jou kon ik altijd rekenen.



